|
Double Dee (3)
Rocking & Stomping/Herinneringen
Studeren
Dick
Smeijers was door gaan studeren, hij ging naar de UTS, maar per
week kwamen we enkele malen bij elkaar. Iedere keer dat we bij elkaar
kwamen had ik wel weer een of andere nieuwigheid. Meestal een plaat,
maar ook wel vaak iets op elektronisch of technisch gebied. Grapjes
was ik gek op. Eens hield ik Dick een hele avond bezig met een ingewikkeld
verhaal over een nieuwe elektronische schakelaar die ik ingebouwd
zou hebben in mijn pick-up, en die zou reageren op mijn stem. Als
ik zei "Start" dan ging de grammofoon lopen en als ik
zei "Stop" dan stopte hij. Bij mij lukte dat steeds perfect,
maar als Dick het probeerde dan was er geen beweging in het apparaat
te krijgen. Ik vertelde Dick dat hij op een bepaalde toonhoogte
moest spreken, waarop hij nog een hele tijd letterlijk in alle toonaarden
bleef proberen om de pick-up met zijn stem in beweging te krijgen,
zonder succes natuurlijk. Hij vermoedde wel al die tijd dat hij
bij de neus genomen werd, maar het kostte hem toch nog veel moeite
en zoekwerk om de voetschakelaar te vinden die ik onder mijn voet
had gemonteerd.
Studio
De slaapkamer kwam steeds voller te
staan met allerlei elektronische spullen, de oude radio's die al
of niet werkten moesten steeds meer wijken voor nieuwere en meer
waardevolle apparaten. Ik had het geluk dat mijn zusters en
broer één voor één de deur uitgingen,
zodat ik na verloop van tijd de grootste slaapkamer kon ombouwen
tot opnamestudio. Aan de buitenkant van die slaapkamer had ik een
heuse rode lamp gemonteerd die aangaf dat binnentreden verboden
was wanneer hij brandde. En die lamp was voor allerlei doeleinden
te gebruiken. Op mijn werk had ik namelijk een gebruikte televisie
gekocht voor maar vijfentwintig gulden, en in mijn enthousiasme
had ik dat aan mijn ouders verteld. Stom, stom, stom! Mijn vader
was furieus, hij wilde dat ding in géén geval in huis
hebben. Wat of ik bezielde om zo'n duivels apparaat te willen hebben!
Tja, nu moest ik het bakbeest naar binnen smokkelen op een moment
dat mijn vader niet thuis was, en daarna was het zaak om altijd
heel voorzichtig televisie te kijken. De rode lamp was daarbij een
handig middel om niet gestoord te worden. De eerste draagbare
cassetterecorder ter wereld, de Philips EL3300, kocht ik ook. Dat
was een grotere financiële uitgave, maar hij bleek dat geld
dubbel en dwars waard te zijn. Ik kon er heerlijk mee de bink uithangen
op zaterdagavond. Er was in Rijssen één straat waar
zo'n beetje de hele jeugd bij elkaar kwam. Men liep er de hele avond
in de straat heen en weer te paraderen. Ik had dan mijn cassetterecorder
onder mijn jas en draaide een bandje met wilde rock and roll-muziek.
Iedereen vroeg zich dan af waar die muziek vandaan kwam.
Een meer zinvolle bezigheid was het bezoeken van beatshows en beatclubs.
De namen waren aangepast aan de tijd, maar de muziek die de bands
maakten was voor een groot gedeelte nog rock and roll en instrumentale
muziek. Omdat we in onze slaapkamerstudio vaak "omroepje"
speelden, bedachten we dat we dat spelen maar eens moesten gaan
omzetten in een meer serieuze onderneming. We gingen dus echte programma's
maken, en we namen elke gelegenheid te baat om onze programma's
op één of andere wijze op een officiële manier
uitgezonden te krijgen. We gingen programma's en bijdragen maken
voor Ziekenomroepen, Avro's Minjon, de ODIO - Contactdienst (voor
gehandicapten), de Kerktelefoonomroep (een eigen vinding), de regionale
omroepen en we stuurden programma's naar alle Hilversumse omroepen.
Omdat onze interesse voor muziek even groot was als die voor het
maken van programma's, gingen we beiden combineren. We maakten onze
opname-apparatuur mobiel (voor de fiets, trein en bus), en bij al
onze bezoeken aan muziekevenementen waren we nu vergezeld van onze
recorder, microfoons en andere toebehoren.

Op deze wijze maakten we heel wat muziekreportages
en kwamen we in contact met veel Oost-Nederlandse groepen, met organisatoren
en zelfs met platenmaatschappijen. De platenmaatschappijen hadden
"talentscouts" in dienst die het land doorreisden op zoek
naar nieuw talent. Het leek ons wel een prima idee om die talentscouts
een handje te helpen, en we boden onze diensten aan. Onze diensten
werden aangenomen door "Artone". Maar die maatschappij
had meestal meer oor voor een goedogend zangeresje dan voor de stevige
rock and roll-bands, waar wij mee aankwamen. Toch voelden we ons
op een gegeven moment belangrijk genoeg om bands ongevraagd audities
te laten doen. Zo gingen we bijvoorbeeld eens naar een repetitie
van de Indo-groep The Jivaro's uit Deventer. We maakten er een bandopname
en stuurden later aan de hand van die opname een kritisch rapport
naar de manager van de groep. Deze was daar niet zo erg mee ingenomen.
Maar weinig groepen uit het Oosten drongen in die tijd door tot
de gevestigde platenmaatschappijen in Nederland. Toch waren er wel
degelijk kanjers van bands in Oost-Nederland in het begin van de
zestiger jaren. Vooral in 1965 leerden we er een grote hoeveelheid
kennen. Een paar namen: The Williams, The Secrets, The Jolly Jokers,
The Guns, The Black Beatniks, The Witterlands, The Valiant Fighters,
The Blue Comets, The Spurs, The Blue Angels, The Sensation Rockets,
They and the Misery Men, The Unknown, The Devil Beats, The Foreheads,
The Skybolts, Centerfeller Seven, The Mods, Monga Band, Bobino's,
The Tropic Thunders en nog vele meer.
Setse naait
In 1965 werkte ik bij inmiddels mijn vierde werkgever,
de firma Meibergen in Almelo. Deze zaak verkocht radio's, televisies,
muziekinstrumenten en grammofoonplaten. Die platenafdeling bezocht
ik vanzelfsprekend regelmatig, niet in de laatste plaats door de
lieftallige verkoopsters die er werkten. De heer Meibergen had
een standaardgrapje bij het in dienst nemen van vrouwelijk personeel.
Hij zei dan tegen ze: "Als je niet bevalt ga je er uit en als
je bevalt ga je er ook uit!" De platen die ik in die tijd
daar kocht waren o.a. "Let there be drums" van Sandy Nelson,
en mijn eerste LP van Bill Black's Combo: "Bill Black Plays
Chuck Berry" op het London label. De Sandy Nelson single liet
ik trots horen aan mijn collega's, maar die vonden het maar stomme
"Jungle-muziek". Met mijn baas had ik ook wel eens
discussies over de Rock & Roll-muziek. Hij beweerde dan steeds
dat de rock and roll hartstikke dood was en ook nooit weer tot leven
gewekt zou worden. In de tachtiger jaren, toen ik weer eens in de
zaak kwam, zag ik dat hij een speciale platenbak had met een groot
bord erboven waarop stond: "Rock & Roll"! Mijn
Indonesische collega Freda Linthorst, die ook in de platenafdeling
werkte, en mij tevens koffie bracht als ik in de werkplaats was,
liet mij eens een aantal briefjes zien van klanten die een bepaalde
plaat zochten maar niet precies wisten wat ze zochten. Enkele ervan
schreef ik toen op, om ze ooit nog eens in dit boek te kunnen vermelden:
"Setse naait" van Elvis Perslie (bedoeld werd: "Such
a night" van Elvis Presley), "Koetby me loof" van
de Surtjers ("Goodbye my love" van The Searchers), "Mistetembrie
men" van de Burts ("Mister Tambourine Man" van The
Byrds), "Sjiesewoeme" van de Bietels ("She's a woman"
van The Beatles) en "De letsteim" van Rolling Stoons ("The
last time" van The Rolling Stones). De allerduidelijkste omschrijving
die een klant ooit van een plaat gaf, ging als volgt: Klant: "Hebt
u die ene plaat ook?" Verkoopster: "Jawel, maar welke
bedoelt u precies?" Klant: "Nou die ene, u weet wel!"
Verkoopster: "Nee, hoe is de titel van de plaat?" Klant:
"Dat weet ik niet." Verkoopster: "Wie zingt het dan?"
Klant: "Dat weet ik niet." Verkoopster: "Hoe gaat
de plaat dan, kunt u hem misschien zingen of neuriën?"
Klant: "Nee, het is niet voor mij, maar voor een kennis."
DOUBLE DEE
In 1966 hadden we zó veel contacten opgedaan
in de muziek- en omroepwereld dat we het tijd vonden worden om van
al onze activiteiten een écht bedrijf te gaan maken. We dachten
dat er geld te verdienen viel met onze hobby's. Voor de zekerheid
bleef ik voorlopig toch nog maar als radiotechnicus werken, en dat
was maar goed ook. Per 1 januari 1966 startten we onze nieuwe
onderneming, onder de naam "Double Dee". Eerst vonden
we "Dubbel Dick" wel een goede naam, maar aangezien we
toen al internationaal dachten werd het uiteindelijk "Double
Dee". We hadden een gigantische hoeveelheid plannen klaarliggen,
en het kostte ons dan ook moeite om te besluiten wat we als eerste
zouden gaan doen. We begonnen in elk geval te werken aan een groots
opgezette maandelijkse teenagershow/talentenjacht. De eerste show
zou op 15 februari gehouden worden, op een dinsdagavond. Eigenlijk
streefden we er naar om een maandelijkse of wekelijkse show op de
zaterdagavond te organiseren, maar er was op die avond geen zaal
beschikbaar in Rijssen, vandaar dat we maar begonnen op een doordeweekse
dag. De eerste show was een behoorlijk succes. De grote zaal
van het Parkgebouw zat weliswaar niet stampvol maar een bezoekersaantal
van zo'n driehonderd vonden we toch bevredigend voor een begin.
De volgende bands hadden zich gemeld om aan de show mee te doen:
The Flying Arrows uit Rijssen, The Screamers uit Markelo, The Devil
Beats uit Enschede, The Fellows, eveneens uit Enschede, The Spurs
uit Almelo, The Witterlands uit Hengelo en The Sensation Rockets
uit Holten. Twee bands kwamen niet opdagen, namelijk The Devil
Beats en The Witterlands. Om de show wat gevarieerder te maken hadden
we ook nog een cabaretier, Guus Piërlôt uit Haren, en
enkele optredens van onze eigen "Double Dee A Go-Go Girls".

Dat was
een goede vondst van ons, die "A Go-Go Girls". Niet dat
we het idee zelf bedacht hadden. Door Amerikaanse muziek- programma's
die in Nederland op de televisie verschenen, kwamen we op de gedachte
om een viertal lenige, langharige en lieftallige meisjes te laten
dansen op muziek. Voor Nederland, en zeker voor Rijssen waren die
girls een unieke sensatie. Wekenlang had ik met de meisjes (Barbara
Bearzatto, Anita Struyk, Riet Kienhuis en Annemarie Kramer) geoefend
om de show die we bedacht hadden in te studeren. De muziek waarop
de Girls dansten kwam van de LP "The Ventures A Go-Go".
De krant schreef over het optreden: "Vier sluikharige Rijssense
jongedames lieten zien dat een mengsel van reidans en modern ballet
op beatmuziek het aankijken best waard kan zijn. Het publiek bleek
zeer te spreken over de dans van de Double Dee Girls, in hun zeer
strakke broeken en gitzwarte truitjes, met daartussen een stukje
niemandsland." En vooral de beschrijving van de kleding
van de meisjes veroorzaakte in Rijssen nogal wat opschudding.
Mijn collegaatje Freda Linthorst hadden we gestrikt om al onze shows
te gaan presenteren, en de kranten waren zeer te spreken over de
charmante wijze waarop zij dat deed. De kranten waren ook vol lof
over de aankleding van het toneel, en die lof was terecht. We hadden
ons erg uitgesloofd om een sfeervol toneel en afwisselende achtergronden
te creëren. Er hingen boven het toneel een groot aantal doeken
met prachtige schilderingen er op. Voor elke band gebruikten we
een ander doek als achtergrond. En vóór die achtergrond
hingen dan nog manshoge letters, gemaakt van dik karton geplakt
op een houten raamwerk en opgeverfd met karmijnrode en fluorescerende
verf, die de tekst "DOUBLE DEE SHOW" vormden. Het was
een prachtig gezicht vanuit de zaal. De bedoeling van onze shows
was om een "springplank" te zijn voor talent uit Oost-Nederland,
en om dat talent verder te helpen op de moeizame weg naar omroepen
en platenstudio's. Om de prestaties van de bands te beoordelen
hadden we een jury samengesteld, die bestond uit mijn baas, de heer
Meibergen uit Almelo, mijn vroegere muziekleraar Götze Kaspersma
uit Rijssen en de heer Van der Kroft van Platenmaatschappij Negram.
Naast deze drie hadden we ook nog grondige afspraken gemaakt met
Skip Voogd van de NCRV, met de heer Groenewegen van platenmaatschappij
Artone en met Hette Visser van het weekblad De Spiegel, maar deze
lieten het allen, zonder enig bericht, jammerlijk afweten. Toegegeven:
de afstand naar Twente was ver in die tijd. De heer Kaspersma hadden
we eigenlijk niet uitgenodigd als jurylid, hij kwam namelijk als
muziekrecensent voor de krant waarvoor hij zo af en toe stukjes
schreef. Omdat een aantal juryleden niet waren komen opdagen hadden
we hem op het laatste moment gebombardeerd tot medejurylid, een
idee waar hij wel voor te porren was. Het besluit om hem medejurylid
te maken brak ons aan het eind van de show danig op. De heer Kaspersma
was namelijk niet helemaal op de hoogte van onze wijze van talentenjachten
organiseren. We hadden afgesproken dat er géén winnaar
zou worden bekend gemaakt en dat er ook geen prijzen zouden worden
uitgereikt. Maar de heer Kaspersma wilde met alle geweld in de schijnwerpers
staan en hij was niet van zijn idee af te brengen dat hij een winnaar
bekend moest maken. Wij lieten ons de wet niet voorschrijven en
we hielden vast aan onze vastomlijnde strategie. De hardnekkige
en opdringerige houding van mijn vroegere muziekleraar resulteerde
daarop in een daverende woordenwisseling die bijna in een vechtpartij
eindigde. In 1966 begon de Engelse beat al behoorlijk op
te rukken. De deelnemende bands aan onze shows verplichtten we daarom
om tijdens hun optreden naast beatnummers ook een aantal rock and
roll en instrumentale nummers te brengen. Zo werden o.a. de volgende
nummers gespeeld: Sweet little sixteen, Jenny Jenny, Candy man,
The jumping can can, My happiness, Lonely sea, The huckleberry beat,
Rosalie, Walking the dog, Rockin' Robin, Tequila, Don't blame it
on me, No particular place to go, Little sister, By the light of
the silvery moon, Jenny, So sad en Lucille. Een negatief
punt van de eerste Double Dee Show was de slechte geluidsapparatuur
van sommige bands. Die apparatuur was niet geschikt voor een grote
zaal en was in enkele gevallen ook niet bijzonder deugdelijk. De
uitzondering daarop waren The Fellows uit Enschede, die keihard
en puntgaaf voor de dag kwamen. 
Rocking & Stomping/Herinneringen
|